leesboekje printen

Zelf een leesboekje printen: één A4, één knip, acht bladzijden

Van één vel A4 vouw je een echt leesboekje van acht bladzijden. Zo maak je er een met je kind in de hoofdrol, op zijn eigen AVI-niveau.

Jeanine Saunders · 4 oktober 2026 · 3 min lezen

Met één vel A4, één knip en een paar keer vouwen maak je een eigen leesboekje van acht bladzijden, zonder nietjes of lijm. Kinderen vinden zo’n boekje geweldig: het is klein, het is van hen, en het past in elke broekzak. In Fabliko print je de meeste verhalen als vouwboekje, met je kind zelf in de hoofdrol en op zijn eigen AVI-niveau.

Waarom een eigen boekje werkt

Een boek dat je kind zelf heeft gemaakt, voelt anders dan een boek uit de kast. Het wil het laten zien, meenemen naar school en voorlezen aan opa en oma. Dat is precies wat je wilt: elke keer dat het boekje opengaat, wordt er gelezen.

Een vouwboekje is bovendien kort. Voor een beginnende lezer is een boekje dat helemaal uit is een overwinning. Dat gevoel van “ik heb een héél boek gelezen” is goud waard voor de motivatie.

Zo vouw je het boekje

  1. Print het vouwboekje in Fabliko op A4, liggend. De bovenste helft staat op zijn kop; dat hoort zo.
  2. Vouw het vel dubbel in de lengte en weer open.
  3. Vouw het in vieren in de breedte, zodat je acht vakjes ziet.
  4. Knip het streepje in het midden: alleen de middelste twee vakjes, langs de stippellijn.
  5. Vouw dubbel in de lengte, duw de uiteinden naar elkaar toe en vouw het boekje dicht.

De eerste keer kost het een minuutje. Daarna kan je kind het zelf, en het vouwen is meteen een leuk moment samen.

Wat er in het boekje staat

  • Voorkant: de titel, met een plaat waarin je kind zelf de hoofdrol speelt.
  • Het verhaal: op elke bladzijde een plaat en de tekst, met letters die passen bij het niveau. Langere verhalen krijgen twee bladzijden per vakje.
  • Teken het zelf: een lege bladzijde met de vraag “Wat gebeurt er hierna?”. Hier mag je kind zelf het verhaal verder tekenen.
  • Woordjes uit het verhaal: de woorden uit het boekje, om nog eens los te oefenen.
  • Achterkant: “Dit boekje is van …” met de avatar van je kind, en een regel om in te vullen wanneer het gelezen is.

Meer printen: woordkaartjes en een kleurplaat

Bij de meeste verhalen horen nog twee printvormen:

Woordkaartjes. Twaalf kaartjes om uit te knippen: één met de naam van je kind en elf met woorden uit het verhaal. Leg ze op tafel en laat je kind ze lezen, of zoek samen de woorden op in het boekje. Op AVI-Start zijn dat korte woorden als vis, boot en maan, precies het soort woorden waar groep 3 mee begint.

Kleurplaat. Een plaat uit het verhaal als lijntekening, met je kind erin, en de tekst van die bladzijde eronder. Fijn voor jongere broertjes en zusjes, of als rustmoment na het lezen. Je kiest zelf welke bladzijde je wilt inkleuren.

Printtips

  • Gewoon printerpapier werkt prima. Voor een steviger boekje kun je iets dikker papier gebruiken (120 grams).
  • Kleur of zwart-wit: beide werken. Wil je inkt sparen, print dan de kleurplaat of de inktzuinige poster.
  • Print op ware grootte: zet in het printscherm de schaal op 100%, anders kloppen de vouwlijnen niet.

Eén verhaal, de hele week

Je kunt het boekje goed combineren met de wc-poster van hetzelfde verhaal. Je kind leest het verhaal de hele week op de wc, en neemt in het weekend zijn eigen boekje mee. Zo wordt een kort verhaal een week vol leesmomenten.

In het kort

  • Van één A4 maak je zonder nietjes een leesboekje van acht bladzijden.
  • Een eigen boekje motiveert: je kind wil het lezen, laten zien en meenemen.
  • Woordkaartjes en een kleurplaat maken het compleet.

Jeanine Saunders

Opvoedkundig psycholoog

Lees ook